Een mantelzorger op vakantie

Toen ik in januari mijn vakantie boekte was een annuleringsverzekering, naar mijn idee, geen overbodige luxe. Mijn moeder was toen zeer kwetsbaar en fragiel. Ik dacht, je zal net zien, die gaat heen tijdens mijn vakantie. Ze had een decubituswond waar je een wortel in kon steken en nu is het slechts nog de diepte van het topje van mijn pink. Sinds ze op de verpleegafdeling zit, knapt ze op. Ze wilde niet meer uit bed en nu geniet ze van de haakzuster, de voorleeszuster en de restaurantbroeder. En volgens mijn moeder hebben ze natuurlijk allemaal les gehad van mij. Dat vind ik dan toch weer een hele eer. Al is dat natuurlijk niet zo.

Cognitief gaat ze achteruit, maar dat vinden wij een gezonde bijkomstigheid die past bij haar leeftijd. En mijn moeder, zij vindt dat ze alles nog op een rijtje heeft. Dus dat houden we dan maar zo.

Met een gerust hart vertrek ik dus naar mijn vakantieland, Italië. De dag vooraf nog even gedag zeggen bij mijn moeder. Mijn moeder is geen vakantiemens en als haar kinderen op vakantie gingen was ze altijd ongerust. Ze hield het journaal extra in de gaten, controleerde elk verkeersbericht. Er zal toch maar niets gebeuren. En voordat we weg gingen honderd “pas-op-kijk-uit”, “ze roven je tas”, “laat je auto niet onbeheerd achter”, “vergeet geen nat washandje mee te nemen”, “een naald en draad is ook handig” en tenslotte “hier heb je een centje voor een ijsje”.

Ze WAS altijd ongerust. Nu bij het afscheid was daar weinig van te merken. Ze vond het alleen maar jammer dat ze mij voorlopig niet ging zien. Maar hoe zit dat nou met die cognitieve achteruitgang? Zou ze diep van binnen toch niet die honderd ge- en verboden opdreunen en er ’s nachts van wakker liggen? Ik verliet wat onbevredigend de afdeling, misschien omdat ik teveel gewend was aan de preek voorafgaande aan mijn vakantie, die nu uitbleef. Ze riep opgewekt “dag” en zwaaide. De twee mantelzorgende broers had ik doorgemaild waar ze mij konden vinden, mocht het nodig zijn. De vakantie kon beginnen!

Op vakantiedag 3 app ik mijn ‘vakantiekaart’ naar beide broers: “reis is voorspoedig verlopen, vakantiehuisje is prachtig en de omgeving is olijfboom, druivenstronk, olijfboom, druivenstronk en mooi weer”.

Dag 4, de dubbele blauwe vinkjes bij de apps. Mijn broers hebben mijn app gezien, maar niet gereageerd. Waarom niet? Zou er wat met mijn moeder zijn en willen ze mij niet ongerust maken? Ik zie op Google dat er in Nederland een hittegolf is, 30 graden, dat is funest voor oude mensen, en mijn moeder drinkt al zo slecht. Zie je wel, het gaat echt niet goed met mijn moeder, pieker ik.
Dag 5, ik had op dag 1 al een kaart gekocht voor mijn moeder, maar kwam geen brievenbus tegen. Nu, in een dorpje met twee huizen en een kerk, zie ik een brievenbus. Posten maar en hopen dat het Nederland haalt.
Dag 6, ik geniet echt geweldig van mijn vakantie. Mooi weer, leuke oude stadjes, prachtige natuur. Maar hoe zou het nu toch met mijn moeder gaan. Zal ik bellen? Nee, want als het echt niet goed gaat wil ik er nu heen en dan is mijn vakantiepret ten einde. Ja, wel bellen, misschien stellen mijn broers mij gerust. Nee, niet bellen, ik zie spoken, ze laten het heus wel weten als het echt slecht gaat.
Dag 7, 8, 9, 10 verstrijken en ik blijf bij de gedachte dat het vast wel goed zal gaan met mijn moeder.  | SVOZ
Dag 11, ik stuur nog een vakantie-app naar mijn broer die eindverantwoordelijke is. Ik eindig de app met “hoe gaat het met ma?”
Dag 12: weer de dubbele blauwe vinkjes, maar geen bericht terug. Zie je wel, denk ik, hij durft het niet te vertellen. Bellen?? Nee, ik kies voor struisvogelpolitiek.
Dag 13, 14 en 15 heerlijk genoten van de terugreis, die nog een dag 16 en 17 in het verschiet heeft. Mijn man spreekt de verlossende woorden uit: “Zullen we maar een dagje eerder naar huis gaan?”. Ik spring zowat een gat in de lucht. Een dag eerder kijken of alles goed is met mijn moeder. Ik app gelijk de mantelzorgbroer die 3x per week gaat: ”We zijn morgenavond weer thuis en ik ga dinsdag naar ma”.
Yes, een reactie terug! “Ok, dan ga ik woensdag”. Is dat alles? Dus is er niets verder te melden?? Ik weet het, zo kunnen broers zijn. Het stemt mij toch enigszins gerust.

En daar ben ik dan op dinsdag bij mijn moeder. “Hoi, leuk, je was weg hè!” Ja, denk ik nog verbaasd, ze weet het dus toch. “Naar Drenthe toch?”
“Nee mam, naar Italië”. Ik wacht op een ‘was het leuk? Hoe hebben jullie het gehad? Waar zat je precies?’ maar niets van dat al. Ze wilde haar bril gepoetst hebben en haar haar in model. “Waren er ook hunebedden?”, ja, er waren ook hunebedden in Drenthe. “Dat waren toch een soort begraafplaatsen”. Ja ma, dat klopt.

“Zal ik de foto’s van de vakantie laten zien?” “Oh, leuk!” Maar na drie foto’s is de aandacht weg. Haar bed bevalt haar niet en de bewoners zijn niet allemaal aardig. Ik vind het helemaal goed, want dit is mijn moedertje. Ze zit parmantig in haar rolstoel, ze wil dat ik haar plantjes verzorg en haar haartjes kam en mijn vakantieverhalen kunnen haar gestolen worden.

Annelies van Breukelen, docent SVOZ – verpleegkundige & mantelzorger